Labo 1 - overdrachtsprotocollen

🎯
  • De leerlingen installeren simulatiesoftware 'Filius' op hun computer
  • De leerlingen verkennen de mogelijkheden van simulatiesoftware 'Filius'
  • De leerlingen kunnen in een simulatieomgeving 2 computers rechtstreeks met elkaar verbinden
  • De leerlingen kunnen in een simulatieomgeving 2 computers verbinden via een switch
📖
  • Zie de cursus 'Inleiding tot Filius.pdf', te vinden in Google Classroom bij de sectie 'Netwerken', onder de hoofding 'Cursusmateriaal Computernetwerken'

Netwerksimulatiesoftware 'Filius'

Installatie

Waar je het installatiepakket kan vinden
Waar je het installatiepakket kan vinden

De leraar demonstreert hoe je Filius installeert.

Samen Filius verkennen

  • Taalkeuze: Bij de eerste start kiest u de taal, die permanent wordt opgeslagen (kies Engels)
  • Werkmodi:
    • Ontwerpmodus (hamer): Netwerk bouwen en wijzigen.
    • Simulatiemodus (groene pijl): Netwerk testen, software installeren en uitvoeren.
    • Documentatiemodus (potlood): Annotaties en groeperen van netwerkonderdelen.
  • Ontwerpmodus:
    • Computer en Notebook: Virtuele apparaten, instelbaar via dubbelklik.
    • Kabel: Verbindt apparaten door te slepen en te klikken.
    • Switch: Verbindt meerdere computers binnen één netwerk.
    • Router: Verbindt verschillende netwerken, instelbaar aantal NIC's.
    • Modem: Maakt verbinding tussen verschillende Filius-instanties op echte netwerken.
  • Simulatiemodus:
    • Softwarebeheer: Installeren, verwijderen en starten van applicaties op virtuele computers.
    • Data exchange: Monitoren van netwerkactiviteit per node.
    • Snelheidsregeling: Aanpasbare simulatiesnelheid.
  • Netwerkapplicaties:
    • Systeemtoepassingen: Bestandsverkenner, opdrachtregel, teksteditor, firewall, afbeeldingviewer.
    • Clienttoepassingen: E-mailprogramma, webbrowser, algemene client, Gnutella.
    • Servertoepassingen: DNS-server, e-mailserver, webserver, echo-server.

Documentatie opdracht

  • Neem voor elke opdracht screenshots van je netwerkopstelling, van de eigenschappen van je nodes en van het dataverkeer.
  • Beschrijf wat je deed
  • Beschrijf het resultaat

Opdracht 1: 2 computers rechtstreeks met elkaar verbinden

Aandachtspunten:

  • Computers moeten in hetzelfde subnet zitten
  • Computers moeten een uniek IP-adres hebben
  • Installeer op één van de computers een 'Command Line' toepassing
  • Gebruik de commando's ipconfig, ping en arp -a
Commando Uitleg
ipconfig Toont de netwerkconfiguratie van de computer, zoals IP-adres, subnetmasker en gateway.
ping Stuurt testpakketjes naar een ander IP-adres om te controleren of er verbinding is.
arp -a Geeft een overzicht van het ARP-cache: een lijst van IP-adressen en bijbehorende MAC-adressen.

Opdracht 2: 2 computers verbinden via een switch

  • Zelfde aandachtspunten als opdracht 1
  • Neem een ander subnet
🧠
  • We hebben de simulatiesoftware 'Filius' geïnstalleerd op onze computer.
  • We hebben de mogelijkheden van de simulatiesoftware verkend: netwerkapparaten toevoegen, eigenschappen instellen, simulaties doen, ...
  • We hebben 2 computers rechtstreeks met elkaar verbonden, 'Command line'-software geinstalleerd en de commando's ping, ipconfig en arp -a uitgevoerd.
  • We hebben 2 computers via een switch met elkaar verbonden.