Multiple Choice Vragen: Computernetwerken (lespakket 1-10)
Hieronder vind je multiple choice vragen gebaseerd op de lespakketten 1 tot en met 10. De antwoorden staan onderaan het document.
Lespakket 1: Inleiding / Computernetwerken
TXT
1. Wat is GEEN voordeel van het gebruik van een computernetwerk?
A) Delen van apparatuur zoals printers.
B) Verhoogde individuele rekenkracht voor elke computer.
C) Centraal beheer van software en updates.
D) Delen van een internetverbinding.
TXT
2. Welke communicatievorm laat gelijktijdige communicatie in beide richtingen toe?
A) Simplex
B) Half-duplex
C) Full-duplex
D) Uniplex
TXT
3. Een bericht dat van één computer naar alle andere computers in het netwerk wordt gestuurd, heet:
A) Unicast
B) Multicast
C) Broadcast
D) Anycast
TXT
4. Hoe wordt een netwerk genoemd dat beperkt is tot een klein geografisch gebied, zoals een school?
A) WAN (Wide Area Network)
B) MAN (Metropolitan Area Network)
C) LAN (Local Area Network)
D) PAN (Personal Area Network)
TXT
5. Welke schakeltechniek zet een vaste, toegewijde verbinding op tussen zender en ontvanger voor de duur van de communicatie?
A) Packet switching
B) Circuit switching
C) Message switching
D) Frame switching
TXT
6. Welk type netwerkhiërarchie heeft geen centrale server en zijn alle computers gelijkwaardig?
A) Servergestuurd netwerk
B) Client-server netwerk
C) Peer-to-peer netwerk
D) Hiërarchisch netwerk
TXT
7. Welke datacommunicatietechnologie gebruikt lichtsignalen voor zeer hoge snelheden?
A) ADSL
B) ISDN
C) Glasvezel
D) PSTN
TXT
8. Wat is het primaire doel van een communicatiekanaal in het communicatieschema?
A) Het versterken van het signaal.
B) Het gemeenschappelijke medium of de taal vormen tussen zender en ontvanger.
C) Hindernissen tussen zender en ontvanger wegnemen.
D) De data omzetten naar een ander formaat.
TXT
9. Wat is een Anycast-bericht?
A) Een bericht naar alle computers.
B) Een bericht naar een specifieke groep computers.
C) Een bericht naar de dichtstbijzijnde computer met een bepaalde functie.
D) Een bericht van de server naar één client.
TXT
10. Welke van de volgende is een voorbeeld van half-duplex communicatie?
A) Televisie-uitzending
B) Telefoongesprek
C) Walkie-talkie
D) Radiouitzending
Lespakket 2: Inleiding / Transmissie
TXT
1. Wat is het belangrijkste kenmerk van een analoog signaal?
A) Het heeft slechts twee niveaus: 1 en 0.
B) Het kan oneindig veel waarden aannemen tussen een minimum en maximum.
C) Het is niet gevoelig voor vervorming over lange afstanden.
D) Het verloop is getrapt.
TXT
2. Het proces van het omzetten van een digitaal signaal naar een analoog signaal heet:
A) Demoduleren
B) Moduleren
C) Coderen
D) Decoderen
TXT
3. Welke modulatietechniek is het meest geschikt voor datacommunicatie vanwege de lage gevoeligheid voor vervorming?
A) Amplitude-modulatie
B) Frequentie-modulatie
C) Fase-modulatie
D) Puls-modulatie
TXT
4. Wat is een nadeel van asynchrone seriële gegevensoverdracht?
A) Het vereist een constante klokpuls.
B) Het is zeer efficiënt door weinig overhead.
C) Het is inefficiënt door de toevoeging van start-, stop- en pariteitsbits aan elk teken.
D) Het is sneller dan synchrone overdracht.
TXT
5. Hoe wordt de transmissiesnelheid van een netwerkverbinding meestal uitgedrukt?
A) Baud rate
B) Hertz (Hz)
C) Bytes per seconde (Bps)
D) Bits per seconde (bps)
TXT
6. Wat definieert de 'bandbreedte' van een transmissiemedium?
A) Het aantal signalen per seconde.
B) De maximale doorvoersnelheid in bps.
C) Het verschil tussen de hoogste en laagste frequentie.
D) De tijd die nodig is om één bit te verzenden.
TXT
7. Wat is een 'transmissie-bottleneck'?
A) De snelste schakel in de verbinding.
B) De traagste schakel in de verbinding die de maximale snelheid bepaalt.
C) Een methode om data te comprimeren.
D) Het fysieke medium van de verbinding.
TXT
8. Welke transmissiemethode verstuurt meerdere bits tegelijkertijd over meerdere draden?
A) Seriële overdracht
B) Parallelle overdracht
C) Asynchrone overdracht
D) Synchrone overdracht
TXT
9. Wat is het doel van een communicatieprotocol?
A) Het verhogen van de fysieke snelheid van de kabel.
B) Het vastleggen van afspraken over synchronisatie, foutcontrole en het begin/einde van berichten.
C) Het fysiek verbinden van computers.
D) Het omzetten van analoge signalen naar digitale.
TXT
10. Wat is het verschil tussen baseband en breedband (broadband) transmissie?
A) Baseband gebruikt de volledige bandbreedte voor één verbinding, breedband deelt de bandbreedte.
B) Breedband is altijd sneller dan baseband.
C) Baseband wordt gebruikt voor internet, breedband voor lokale netwerken.
D) Baseband is analoog, breedband is digitaal.
Lespakket 3: Netwerktopologieën en het OSI-model
TXT
1. Welke fysieke netwerktopologie verbindt alle computers met één centrale kabel met terminators aan de uiteinden?
A) Ringnetwerk
B) Sternetwerk
C) Maasnetwerk
D) Busnetwerk
TXT
2. Wat is een groot nadeel van een ringtopologie?
A) Hoge kosten voor bekabeling.
B) Als één computer of kabel uitvalt, ligt het hele netwerk plat.
C) De centrale hub is een single point of failure.
D) Het is moeilijk om nieuwe computers toe te voegen.
TXT
3. Op welke laag van het OSI-model vindt de routering van datapakketjes op basis van IP-adressen plaats?
A) Fysieke laag (Laag 1)
B) Datalinklaag (Laag 2)
C) Netwerklaag (Laag 3)
D) Transportlaag (Laag 4)
TXT
4. Wat is de functie van de presentatielaag (Laag 6) in het OSI-model?
A) Het opzetten en beëindigen van verbindingen.
B) Het omzetten van gegevens naar een standaardformaat, compressie en encryptie.
C) Het versturen van ruwe bits over het fysieke medium.
D) Het regelen van betrouwbare gegevensoverdracht van begin tot eind.
TXT
5. Welk adres wordt gebruikt op de datalinklaag (Laag 2) om dataframes naar de juiste computer op een lokaal netwerk te sturen?
A) IP-adres
B) MAC-adres
C) Poortnummer
D) Hostnaam
TXT
6. Wat is het belangrijkste voordeel van een sternetwerk?
A) Het is de goedkoopste topologie.
B) Uitval van één computer heeft geen invloed op de rest van het netwerk (tenzij de centrale hub/switch uitvalt).
C) Er is geen centraal punt dat kan uitvallen.
D) Het heeft de hoogste theoretische snelheid.
TXT
7. Wat is het verschil tussen een fysieke en een logische topologie?
A) Er is geen verschil, de termen zijn uitwisselbaar.
B) De fysieke topologie beschrijft hoe computers verbonden zijn, de logische hoe data wordt verstuurd.
C) De logische topologie is altijd een ster, de fysieke kan variëren.
D) De fysieke topologie is voor WANs, de logische voor LANs.
TXT
8. Welke laag van het OSI-model is verantwoordelijk voor het opdelen van data in segmenten en het regelen van de betrouwbaarheid (Quality of Service)?
A) Sessielaag (Laag 5)
B) Netwerklaag (Laag 3)
C) Transportlaag (Laag 4)
D) Toepassingslaag (Laag 7)
TXT
9. In een maastopologie (mesh)...
A) zijn alle computers in een kring verbonden.
B) kan elke computer theoretisch met elke andere verbonden zijn.
C) is er altijd een centrale switch.
D) gaan alle berichten langs elke computer.
TXT
10. Wat is het hoofddoel van het OSI-referentiemodel?
A) Een specifieke set van regels voor alle netwerken voorschrijven.
B) Een theoretisch kader bieden om compatibiliteit tussen verschillende hardware en software te verzekeren.
C) De snelheid van internetverbindingen wereldwijd te standaardiseren.
D) Een protocol te zijn voor het beveiligen van netwerkverkeer.
Lespakket 4: Communicatieprotocollen + toegangsprotocollen
TXT
1. Op welke laag van het OSI-model werken toegangsprotocollen zoals Ethernet?
A) Fysieke laag (Laag 1)
B) Verbindingslaag (Datalinklaag, Laag 2)
C) Netwerklaag (Laag 3)
D) Transportlaag (Laag 4)
TXT
2. Wat is het meest gebruikte toegangsprotocol voor lokale computernetwerken?
A) Token Ring
B) PPP
C) Ethernet
D) ATM
TXT
3. Welk onderdeel van een Ethernet-frame wordt gebruikt voor foutcontrole?
A) Preamble
B) Source Address
C) Payload
D) Frame Check (CRC)
TXT
4. Wat is het doel van de Preamble in een Ethernet-frame?
A) Het bevat de data die verzonden wordt.
B) Het geeft het MAC-adres van de ontvanger aan.
C) Het signaleert het begin van een frame zodat de ontvanger kan synchroniseren.
D) Het controleert of het frame correct is aangekomen.
TXT
5. Welk protocol wordt vaak gebruikt voor inbelverbindingen en vereist authenticatie?
A) CSMA/CD
B) PPP (Point-to-Point Protocol)
C) Ethernet
D) Token Bus
TXT
6. Wat is de functie van CSMA/CD in een bekabeld Ethernet-netwerk?
A) Het versleutelen van data.
B) Het detecteren en voorkomen van conflicten (collisions) op de lijn.
C) Het toewijzen van IP-adressen.
D) Het routeren van pakketten tussen netwerken.
TXT
7. Wat is het nut van een VLAN-tag in een Ethernet-frame?
A) Het geeft aan hoe groot de payload is.
B) Het maakt het mogelijk om een fysiek netwerk op te delen in meerdere virtuele LAN's.
C) Het bevat het IP-adres van de zender.
D) Het versleutelt het frame.
TXT
8. Wat is het verschil tussen de header en de trailer (footer) in een Ethernet-frame?
A) De header bevat de data, de trailer de adressen.
B) De header komt voor de payload, de trailer komt erna.
C) De header is voor foutcontrole, de trailer voor synchronisatie.
D) Er is geen trailer in een Ethernet-frame.
TXT
9. Wat doet PPPoE (Point-to-Point Protocol over Ethernet)?
A) Het vervangt Ethernet volledig.
B) Het kapselt PPP-frames in Ethernet-frames, vaak gebruikt voor DSL-verbindingen.
C) Het is een protocol voor draadloze netwerken.
D) Het is een protocol voor het beheer van switches.
TXT
10. Wat is de minimale grootte van de payload in een standaard Ethernet-frame?
A) 24 bytes
B) 46 bytes
C) 64 bytes
D) 1500 bytes
Lespakket 5: Overdrachtsprotocollen
TXT
1. Op welke twee lagen van het OSI-model werken de belangrijkste overdrachtsprotocollen zoals TCP/IP?
A) Laag 1 (Fysiek) en Laag 2 (Datalink)
B) Laag 2 (Datalink) en Laag 3 (Netwerk)
C) Laag 3 (Netwerk) en Laag 4 (Transport)
D) Laag 5 (Sessie) en Laag 6 (Presentatie)
TXT
2. Wat is het belangrijkste verschil tussen een IPv4- en een IPv6-adres?
A) IPv4 is 32 bits lang, terwijl IPv6 128 bits lang is.
B) IPv4 wordt hexadecimaal genoteerd, IPv6 decimaal.
C) IPv4 ondersteunt geen subnetting, IPv6 wel.
D) IPv4 is sneller dan IPv6.
TXT
3. Welk van de volgende is een voorbeeld van een lokaal (privé) IPv4-adres?
A) 8.8.8.8
B) 192.168.1.10
C) 200.20.10.1
D) 127.0.0.1
TXT
4. Wat is de functie van het ARP (Address Resolution Protocol)?
A) Het omzetten van een domeinnaam naar een IP-adres.
B) Het koppelen van een IP-adres aan een MAC-adres binnen een lokaal netwerk.
C) Het toewijzen van dynamische IP-adressen.
D) Het versleutelen van dataverkeer.
TXT
5. Wat is het belangrijkste kenmerk van het UDP (User Datagram Protocol) in vergelijking met TCP?
A) UDP is betrouwbaar en garandeert aflevering.
B) UDP is verbindingsloos en biedt geen garantie op aflevering, wat het sneller maakt.
C) UDP heeft een grotere header dan TCP.
D) UDP wordt gebruikt voor webpagina's, terwijl TCP voor streaming wordt gebruikt.
TXT
6. Wat is een subnetmasker?
A) Een adres dat wordt gebruikt om data te versleutelen.
B) Een nummer dat aangeeft welk deel van een IP-adres het netwerknummer is en welk deel het computernummer.
C) Het unieke hardware-adres van een netwerkkaart.
D) Een speciaal adres voor broadcastberichten.
TXT
7. Waarom werd IPv6 ontwikkeld?
A) Omdat IPv4 te langzaam was.
B) Om een eenvoudiger adresseringsschema te hebben.
C) Omdat het aantal beschikbare openbare IPv4-adressen uitgeput raakte.
D) Om het gebruik van MAC-adressen te vervangen.
TXT
8. Wat is een MAC-adres?
A) Een logisch adres dat door een DHCP-server wordt toegewezen.
B) Een uniek, hardwarematig adres dat door de fabrikant aan een netwerkkaart wordt gegeven.
C) Een adres dat wordt gebruikt om webservers te identificeren.
D) Een tijdelijk adres dat wordt gebruikt tijdens een netwerksessie.
TXT
9. De notatie 192.168.1.5/24 is een voorbeeld van:
A) Een MAC-adres
B) Een IPv6-adres
C) CIDR-notatie
D) Een loopback-adres
TXT
10. Welke toepassing is een typisch voorbeeld waar UDP de voorkeur heeft boven TCP?
A) E-mail verzenden
B) Een webpagina laden
C) Online gaming of een videogesprek
D) Een bestand downloaden van een FTP-server
Lespakket 6: Toepassingsprotocollen
TXT
1. Op welke laag van het OSI-model werken toepassingsprotocollen zoals HTTP en SMTP?
A) Transportlaag (Laag 4)
B) Sessielaag (Laag 5)
C) Presentatielaag (Laag 6)
D) Toepassingslaag (Laag 7)
TXT
2. Welk poortnummer wordt standaard gebruikt voor onbeveiligde HTTP-communicatie?
A) 21
B) 25
C) 80
D) 443
TXT
3. Welk protocol wordt gebruikt voor het verzenden van e-mail van een client naar een mailserver?
A) POP3
B) IMAP
C) SMTP
D) HTTP
TXT
4. Wat is het belangrijkste voordeel van HTTPS ten opzichte van HTTP?
A) Het laadt webpagina's sneller.
B) Het gebruikt encryptie (TLS/SSL) om de communicatie te beveiligen.
C) Het heeft een grotere capaciteit voor dataoverdracht.
D) Het is eenvoudiger te configureren op een webserver.
TXT
5. Welk protocol stelt een gebruiker in staat om e-mails direct op de mailserver te lezen en te beheren, waardoor synchronisatie tussen meerdere apparaten mogelijk is?
A) POP3
B) IMAP
C) SMTP
D) SNMP
TXT
6. Voor welk doel wordt het FTP-protocol primair gebruikt?
A) Het beveiligen van netwerkverbindingen.
B) Het overdragen van bestanden tussen een client en een server.
C) Het beheren van netwerkapparaten op afstand.
D) Het opvragen van webpagina's.
TXT
7. Welk protocol voor beheer op afstand biedt een beveiligde, versleutelde verbinding via een terminal-venster en wordt beschouwd als de veilige opvolger van Telnet?
A) RDP
B) SSH
C) SNMP
D) FTP
TXT
8. Wat is de functie van poortnummers in netwerkcommunicatie?
A) Ze identificeren de fysieke locatie van een computer.
B) Ze geven aan voor welke specifieke toepassing of dienst een netwerkpakket bedoeld is.
C) Ze bepalen de snelheid van de verbinding.
D) Ze versleutelen de data in een pakket.
TXT
9. Wat is het belangrijkste verschil tussen HTTP/2 en HTTP/3?
A) HTTP/2 gebruikt TCP, terwijl HTTP/3 het snellere QUIC-protocol over UDP gebruikt.
B) HTTP/3 is onveilig, terwijl HTTP/2 altijd versleuteld is.
C) HTTP/2 is alleen voor mobiele apparaten.
D) HTTP/3 kan geen afbeeldingen laden.
TXT
10. Waarvoor staat de HTTP-foutcode 404?
A) Forbidden (Geen toegang)
B) Unauthorized (Niet aangemeld)
C) Not Found (Pagina niet gevonden)
D) Internal Server Error (Interne serverfout)
Lespakket 7: Netwerkhardware/Kaarten, transmissiemedia en connectoren
TXT
1. Wat is de primaire functie van een netwerkkaart (NIC)?
A) De computer van stroom voorzien.
B) De brug vormen tussen een computer en het netwerk, inclusief fysieke aansluiting en identificatie.
C) Software installeren op de computer.
D) Het beeldscherm aansturen.
TXT
2. Welk uniek identificatienummer bevindt zich op een ROM-chip van elke netwerkkaart?
A) IP-adres
B) Serienummer
C) MAC-adres
D) Productcode
TXT
3. Welk type netwerkkabel wordt het meest gebruikt voor moderne lokale Ethernet-netwerken?
A) Coaxiale kabel (Thinnet)
B) Glasvezelkabel
C) Twisted Pair (UTP/STP)
D) Seriële kabel
TXT
4. Wat is het belangrijkste voordeel van het "twisten" (om elkaar heen draaien) van de aderparen in een UTP-kabel?
A) Het maakt de kabel flexibeler.
B) Het vermindert elektromagnetische interferentie en crosstalk.
C) Het verhoogt de brandveiligheid van de kabel.
D) Het maakt de kabel goedkoper om te produceren.
TXT
5. Welke connector wordt standaard gebruikt voor twisted pair netwerkkabels (Ethernet)?
A) BNC-connector
B) RJ-11
C) RJ-45
D) USB-C
TXT
6. Welke categorie twisted pair kabel is minimaal vereist voor Gigabit Ethernet (1000Base-T)?
A) CAT3
B) CAT4
C) CAT5e
D) CAT1
TXT
7. Wat is een nadeel van coaxiale kabel in vergelijking met twisted pair voor moderne LAN's?
A) Het is volledig immuun voor storingen.
B) Het heeft een lagere transportsnelheid en is kwetsbaarder voor storingen.
C) Het is veel duurder dan glasvezel.
D) Het kan alleen voor hele korte afstanden worden gebruikt.
TXT
8. Wat is het doel van de TIA/EIA 568A en 568B standaarden?
A) Ze bepalen de maximale lengte van een USB-kabel.
B) Ze specificeren de kleurvolgorde van de draden in een RJ-45 connector.
C) Ze beschrijven de regels voor IP-adressering.
D) Ze definiëren de verschillende soorten netwerktopologieën.
TXT
9. Wat is een plenum-kabel?
A) Een type glasvezelkabel.
B) Een kabel die geen giftige gassen afgeeft bij brand en gebruikt wordt in verluchtingsholtes.
C) Een extra goedkope UTP-kabel.
D) Een kabel specifiek voor buitengebruik.
TXT
10. Wat betekent de aanduiding 100Base-T?
A) Een snelheid van 10 Mbit/s over glasvezel.
B) Een snelheid van 100 Mbit/s over twisted pair kabel.
C) Een snelheid van 1000 Mbit/s over coaxkabel.
D) Een snelheid van 100 Gbit/s.
Lespakket 8: Glasvezel, Powerline, WiFi
TXT
1. Wat is het belangrijkste voordeel van glasvezelkabel ten opzichte van koperen kabels?
A) Het is goedkoper en makkelijker te installeren.
B) Het is volledig ongevoelig voor elektromagnetische interferentie.
C) Het kan niet breken.
D) Het gebruikt elektrische signalen.
TXT
2. Welke technologie gebruikt het bestaande elektriciteitsnet in een gebouw om een netwerkverbinding te creëren?
A) WiFi
B) Bluetooth
C) Powerline communicatie (PLC)
D) Glasvezel
TXT
3. Op welke radiofrequenties werken de meeste moderne WiFi-apparaten (dual-band)?
A) 1.2 GHz en 2.4 GHz
B) 2.4 GHz en 5 GHz
C) 5 GHz en 6 GHz
D) 900 MHz en 2.4 GHz
TXT
4. Wat is de functie van een "mesh-netwerk" in een WiFi-omgeving?
A) Het creëren van één enkel, zeer krachtig toegangspunt.
B) Het gebruiken van meerdere toegangspunten die samenwerken om een naadloze dekking te bieden.
C) Het beveiligen van het netwerk met WEP.
D) Het verbinden van het netwerk met het internet via de stroomleidingen.
TXT
5. Wat is de Wi-Fi roepnaam voor de IEEE 802.11ac standaard?
A) Wi-Fi 4
B) Wi-Fi 5
C) Wi-Fi 6
D) Wi-Fi 7
TXT
6. Wat is een nadeel van Powerline communicatie?
A) Het vereist het leggen van nieuwe kabels.
B) Het signaal wordt geblokkeerd door de elektriciteitsmeter, waardoor het bereik beperkt is tot één huis.
C) Het is altijd sneller dan een directe Ethernet-verbinding.
D) Het is volledig onbeveiligd.
TXT
7. Welk type glasvezel is het duurst en wordt gebruikt voor de hoogste snelheden over de grootste afstanden?
A) Multimode fiber
B) Single mode fiber
C) Plastic optical fiber
D) Coated fiber
TXT
8. Wat is een 'deadspot' in een WiFi-netwerk?
A) Een plek waar het signaal extra sterk is.
B) Een plek waar geen bruikbaar WiFi-signaal is.
C) Het centrale toegangspunt.
D) Een beveiligingslek in het netwerk.
TXT
9. Welke draadloze technologie is ontworpen voor communicatie over zeer korte afstanden (tot 10 meter) en wordt vaak gebruikt voor randapparatuur zoals headsets en smartwatches?
A) Wi-Fi
B) LiFi
C) Zigbee
D) Bluetooth
TXT
10. Wat betekent FTTH (Fiber to the Home)?
A) De glasvezelverbinding loopt tot een verdeelkast in de straat.
B) De glasvezelverbinding loopt helemaal tot in de woning van de eindgebruiker.
C) Het is een andere naam voor een draadloze glasvezelverbinding.
D) Alleen de interne bekabeling in huis is glasvezel.
Lespakket 9: Netwerkverdeeldozen
TXT
1. Wat is het belangrijkste verschil tussen een hub en een switch?
A) Een hub werkt op laag 3, een switch op laag 2.
B) Een hub stuurt inkomende data naar alle poorten, terwijl een switch data gericht naar de juiste poort stuurt.
C) Een switch is goedkoper dan een hub.
D) Een hub kan draadloze signalen verwerken, een switch niet.
TXT
2. Op basis van welk adres neemt een switch beslissingen om dataframes door te sturen?
A) IP-adres
B) Poortnummer
C) MAC-adres
D) Hostnaam
TXT
3. Wat is de functie van een repeater in een netwerk?
A) Het routeren van verkeer tussen verschillende netwerken.
B) Het versterken van een verzwakt signaal om grotere afstanden te overbruggen.
C) Het toewijzen van IP-adressen aan clients.
D) Het filteren van ongewenst verkeer.
TXT
4. Op welke laag van het OSI-model werkt een router primair?
A) Fysieke laag (Laag 1)
B) Datalinklaag (Laag 2)
C) Netwerklaag (Laag 3)
D) Transportlaag (Laag 4)
TXT
5. Wat is een Wireless Network Access Point (AP)?
A) Een apparaat dat een bekabeld signaal omzet in een draadloos signaal om een WiFi-netwerk te creëren.
B) Een ander woord voor een netwerkkaart in een laptop.
C) Een apparaat dat netwerken met elkaar verbindt op basis van IP-adressen.
D) Een passief apparaat dat alleen signalen doorgeeft.
TXT
6. Wat is het doel van een "site survey" bij het opzetten van een draadloos netwerk?
A) Het tellen van het aantal gebruikers.
B) Het bepalen van de optimale locaties en kanalen voor access points om dekking te maximaliseren en interferentie te minimaliseren.
C) Het installeren van de netwerkdrivers op de clients.
D) Het kiezen van een SSID voor het netwerk.
TXT
7. Wat is MIMO-technologie?
A) Een beveiligingsprotocol voor WiFi.
B) Een techniek waarbij meerdere antennes worden gebruikt om de stabiliteit en snelheid van een draadloze verbinding te verbeteren.
C) Een manier om netwerkkabels te stapelen.
D) Een type router voor grote bedrijven.
TXT
8. Wat is de functie van de MAC-tabel (of SAT-tabel) in een switch?
A) Een lijst van alle IP-adressen in het netwerk.
B) Een lijst die MAC-adressen koppelt aan de poorten van de switch, zodat de switch weet waar data naartoe gestuurd moet worden.
C) Een logboek van al het internetverkeer.
D) De configuratie-instellingen van de switch.
TXT
9. Waarom is het aan te raden om access points die dicht bij elkaar staan op verschillende, niet-overlappende kanalen (zoals 1, 6, en 11 op de 2.4 GHz band) in te stellen?
A) Om de stroomkosten te verlagen.
B) Om interferentie (storing) tussen de access points te voorkomen.
C) Omdat elk kanaal een ander wachtwoord vereist.
D) Om de maximale afstand van het signaal te vergroten.
TXT
10. Wat gebeurt er als een switch een frame ontvangt met een bestemmings-MAC-adres dat niet in zijn MAC-tabel staat?
A) Het frame wordt onmiddellijk verwijderd.
B) De switch stuurt het frame naar alle poorten, behalve de poort waar het vandaan kwam (flooding).
C) De switch stuurt het frame terug naar de afzender.
D) De switch vraagt de router om hulp.
Lespakket 10: Servers
TXT
1. Wat is een "dedicated server"?
A) Een server die ook als werkstation wordt gebruikt.
B) Een computer die uitsluitend servertaken uitvoert.
C) Een server die wordt gedeeld door meerdere bedrijven.
D) Een virtuele server in de cloud.
TXT
2. Welke serverdienst is verantwoordelijk voor het automatisch toewijzen van IP-adressen aan computers in een netwerk?
A) DNS-server
B) DHCP-server
C) Fileserver
D) Webserver
TXT
3. Wat is het belangrijkste kenmerk van een 3-tier architectuur in vergelijking met een 2-tier architectuur?
A) Er is geen server, alleen clients.
B) De client en server zijn gecombineerd in één machine.
C) Er is een aparte toepassingsserver (application server) toegevoegd tussen de client en de dataserver.
D) Alle verwerking gebeurt op de client.
TXT
4. Wat is het doel van RAID-technologie in servers?
A) Het verhogen van de processorkracht.
B) Het koppelen van meerdere schijven voor snellere toegang, grotere opslagcapaciteit en/of hogere betrouwbaarheid (redundantie).
C) Het koelen van de server.
D) Het beheren van gebruikersaccounts.
TXT
5. Welke servervorm is specifiek ontworpen voor montage in een standaard 19-inch rack?
A) Tower server
B) Blade server
C) Rack server
D) Mini server
TXT
6. Wat is de functie van een domeincontroller in een Windows-netwerk?
A) Het hosten van de bedrijfswebsite.
B) Het centraal beheren van gebruikersaccounts, computers en toegangsrechten.
C) Het filteren van e-mail op spam.
D) Het afdrukken van documenten.
TXT
7. Wat is het verschil tussen een 'hot server' en een 'cold server' in een back-up strategie?
A) Een hot server is continu actief en kan direct overnemen, een cold server staat uit en moet handmatig worden opgestart.
B) Een hot server is voor data, een cold server voor software.
C) Een hot server is fysiek, een cold server is virtueel.
D) Er is geen verschil.
TXT
8. Welke serverdienst levert webpagina's aan browsers via het HTTP-protocol?
A) Mailserver
B) Printserver
C) Webserver
D) FTP-server
TXT
9. Wat is het "thin client-model"?
A) Een model waarbij alle software en verwerking op de clientcomputer plaatsvindt.
B) Een model waarbij alle software centraal op een application server draait en de client (een 'thin client') alleen als gebruikersinterface dient.
C) Een netwerk zonder servers.
D) Een model voor het beveiligen van mobiele apparaten.
TXT
10. Wat is de functie van een netwerkbesturingssysteem (NOS)?
A) Het is een besturingssysteem dat alleen op laptops draait.
B) Het is een besturingssysteem dat speciaal is ontworpen om serverdiensten te leveren en een netwerk te beheren.
C) Het is een ander woord voor een firewall.
D) Het is software om mee te internetten.
Antwoorden
Klik hier om de antwoorden te zien
### Lespakket 11. B 2. C 3. C 4. C 5. B 6. C 7. C 8. B 9. C 10. C
### Lespakket 2
1. B 2. B 3. C 4. C 5. D 6. C 7. B 8. B 9. B 10. A
### Lespakket 3
1. D 2. B 3. C 4. B 5. B 6. B 7. B 8. C 9. B 10. B
### Lespakket 4
1. B 2. C 3. D 4. C 5. B 6. B 7. B 8. B 9. B 10. B
### Lespakket 5
1. C 2. A 3. B 4. B 5. B 6. B 7. C 8. B 9. C 10. C
### Lespakket 6
1. D 2. C 3. C 4. B 5. B 6. B 7. B 8. B 9. A 10. C
### Lespakket 7
1. B 2. C 3. C 4. B 5. C 6. C 7. B 8. B 9. B 10. B
### Lespakket 8
1. B 2. C 3. B 4. B 5. B 6. B 7. B 8. B 9. D 10. B
### Lespakket 9
1. B 2. C 3. B 4. C 5. A 6. B 7. B 8. B 9. B 10. B
### Lespakket 10
1. B 2. B 3. C 4. B 5. C 6. B 7. A 8. C 9. B 10. B