- De leerlingen kunnen het concept van client/server-verwerking uitleggen en verschillende serverarchitecturen (2-tier, 3-tier, multitier) onderscheiden.
- De leerlingen kunnen de belangrijkste kenmerken en hardware-eisen van servers benoemen en het verschil uitleggen tussen dedicated, non-dedicated, tower, rack en blade servers.
- De leerlingen kunnen verschillende serverdiensten (zoals DHCP, domeincontroller, fileserver, mailserver, printserver, application server en webserver) herkennen en hun functie toelichten.
- De leerlingen kunnen het belang van redundantie, betrouwbaarheid en beschikbaarheid bij servers verklaren.
- De leerlingen kunnen het proces van dynamisch en statisch adresseren in een netwerk beschrijven, inclusief het gebruik van DHCP en SLAAC.
- De leerlingen kunnen de werking van domeinen, gebruikersrechten en policies binnen een netwerk uitleggen.
- De leerlingen kunnen het verschil tussen een klassiek besturingssysteem en een netwerkbesturingssysteem (NOS) aangeven en voorbeelden geven.
- Zie boek pag. 77-94
4.1 Client/server-verwerking
Wat is client/server-verwerking?
Scan deze qr-code om de video te bekijken
Architecturen: 2-tier, 3-tier en multitier
- In een 2-tier architectuur verzorgt de client de invoer/uitvoer, de server het gegevensbeheer en verwerking kan verdeeld zijn.
- Een 3-tier architectuur voegt een aparte toepassingsserver toe voor verwerking, wat efficiëntie en veiligheid verhoogt.
- Multitier architecturen splitsen verwerking en gegevensbeheer over meerdere gespecialiseerde servers.
- Een data warehouse slaat grote hoeveelheden gegevens op; een kleinere fileserver kan veelgevraagde data verdelen.
- Clusters of server farms bestaan uit meerdere servers die samenwerken als één geheel voor optimale beschikbaarheid en betrouwbaarheid.
- Redundante servers binnen een cluster verhogen de continuïteit van diensten.
Scan deze qr-code om de video te bekijken
Gegevensverkeer: datadistributie en datacollectie
- Datadistributie: een server stuurt gegevens naar één of meerdere clients (bv. software-installaties of updates).
- Datacollectie: een server verzamelt gegevens van clients, vaak gebruikt voor meetgegevens of centrale rapportage.
- Bij datacollectie worden gegevens soms gebundeld en in één keer verzonden (bulkupdating), vooral bij back-ups.
Test jezelf
Scan deze qr-code om de inhoud te bekijken
4.2 Serverhardware
Kenmerken van serverhardware
- Servers zijn ontworpen met redundante onderdelen (zoals voeding, ventilatoren, schijfstations) zodat een defect niet direct tot uitval leidt.
- Veel onderdelen zijn hot-swappable: ze kunnen snel vervangen worden zonder de server uit te schakelen of te openen.
- Beschikbaarheid wordt uitgedrukt in procenten; een score van 99,999% betekent slechts enkele minuten downtime per jaar.
- Servers met minder dan 99% beschikbaarheid zijn onbetrouwbaar en kunnen meer dan 80 uur per jaar uitvallen.
- (Beeldtip: Grafiek of schema van serverbeschikbaarheid en downtime)
Processor, opslag en geheugen
- Servers beschikken over krachtige processoren, vaak meerdere per toestel, met grote cachegeheugens.
- RAID-technologie koppelt meerdere schijven voor snellere toegang, flexibele opslag en hogere betrouwbaarheid.
- Servergeheugen bevat ECC-geheugen (error correction code) voor foutcontrole, waardoor processen stabieler draaien.
- Mirroring schrijft gegevens naar twee geheugenbanken; bij een fout blijft de server werken met de andere bank.
- (Beeldtip: Schema van RAID-opstelling en ECC-geheugen)
Servervormen
- Tower servers lijken op desktopcomputers, maar zijn groter en bieden ruimte voor extra schijven en een groter moederbord.
- Rack servers zijn ontworpen voor montage in standaard racks, waardoor bekabeling en samenwerking met andere apparatuur efficiënt verlopen.
- Blade servers zijn compacte moederborden met essentiële onderdelen, ingebouwd in een blade enclosure/chassis voor stroom, koeling en I/O.
- Een blade system bestaat uit meerdere blade servers in één enclosure, ontworpen voor samenwerking en gedeelde capaciteit.
Test jezelf
Scan deze qr-code om de inhoud te bekijken
4.3 Serverdiensten
- Wanneer een computer in een netwerk een dienst levert aan andere computers spreken we van een serverdienst; er bestaan er honderden, maar hier behandelen we de meest universele.
- Eenzelfde machine kan meerdere serverdiensten aanbieden; bij eenvoudige diensten (bv. printserver) volstaat vaak een gewoon besturingssysteem, voor complexe of kritische diensten is een netwerkbesturingssysteem (NOS) vereist.
- Servers zijn kritische systemen: bij storing valt minstens een deel van de netwerkfuncties weg, dus netwerkbeheerders moeten snel de oorzaak kunnen achterhalen.
- Alle serveractiviteiten worden gelogd in server logs; deze logs (speciale databanken) helpen bij foutanalyse en het vinden van oorzaken.
- Om uitval te beperken worden diensten vaak redundant aangeboden: dezelfde dienst draait op meerdere machines zodat bij defect een andere server de dienst overneemt.
- Wanneer meerdere servers dezelfde dienst leveren, is synchronisatie van de gegevens essentieel om inconsistenties te vermijden (bv. bestanden, accounts, configuratie).
4.3.1 DHCP-server
Statisch vs dynamisch adresseren
- Computers in een netwerk gebruiken IP-adressen; bij statisch adresseren worden IP-adres, subnetmasker en standaardgateway handmatig ingesteld.
- Statisch adresseren zorgt ervoor dat een toestel altijd hetzelfde IP-adres heeft (geschikt voor servers, switches, routers).
Voordelen van dynamisch adresseren
- IP-adressen worden automatisch toegewezen door een DHCP-server, waardoor beheer minder handwerk vereist.
- Eenvoudiger toevoegen of vervangen van netwerkapparaten; mobiele apparaten wisselen moeiteloos van netwerk.
- Minder kans op IP-conflicten doordat adresuitgifte centraal bestuurd wordt.
- Mogelijkheid om meer aangesloten apparaten te ondersteunen dan aantal beschikbare adressen omdat niet alle apparaten tegelijk actief zijn.
DHCP: werking in het kort
Scan deze qr-code om de video te bekijken
Leases en reserveringen
Praktische richtlijnen
- Ken statische adressen toe aan kritieke netwerkcomponenten (servers, routers, switches) en houd daarvan een lijst bij om conflicten te vermijden.
- Stel het dynamische bereik zodanig in dat er voldoende adressen overblijven voor statische toewijzingen.
- Gebruik reserveringen voor apparaten die altijd bereikbaar moeten zijn, maar centraal beheerd moeten blijven.
IPv6: SLAAC en DHCPv6
- In IPv6 wordt vaak het interface-id afgeleid van het MAC-adres; SLAAC (Stateless Address Autoconfiguration) kan automatisch een adres genereren.
- SLAAC-proces: genereer link-local (FE80...) op basis van MAC, controleer uniciteit via Neighbor Discovery (ND), verkrijg netwerkprefix via Router Advertisement of Router Solicitation, en vorm daarna het global address.
- DHCPv6 bestaat als alternatief/aanvulling voor het dynamisch verkrijgen van netwerkprefixes of aanvullende instellingen.
Scan deze qr-code om de video te bekijken
Test jezelf
Scan deze qr-code om de inhoud te bekijken
4.3.2 Domeincontroller
Wat is een domeincontroller?
- Beheerder van een domein: centrale server die accounts, computers en toegangsrechten beheert.
- Houdt lijsten bij van gebruikers en vertrouwde computers binnen het domein.
- Zorgt voor centrale aanmelding (authenticatie) en autorisatie binnen het netwerk.
- Policies (regels) die beheerder opstelt, worden centraal toegepast en gecontroleerd.
- Het is Microsoft technologie, maar kan ook gebruikt worden op Linux (via Samba)
Groepen, nesting en effectieve rechten
- Een gebruiker heeft toegang via directe rechten en via alle groepen en subgroepen waarvan hij lid is.
- Nested groepen vereenvoudigen centraal beheer maar maken effectieve rechten complexer.
- Effectieve rechten bepalen welke actie een gebruiker écht mag uitvoeren (controleer regelmatig).
- Synchronisatie en consistente naamgeving van groepen voorkomt fouten en verwarring.
Domeinnamen en DNS
- Domeinen krijgen een naam; een DNS-server verzorgt de naamresolutie binnen het netwerk.
- Lokale domeinnaam mag niet exact overeenkomen met een publieke domeinnaam om conflicten te vermijden.
Praktische richtlijnen voor beheerders
- Gebruik groepen voor rechtenbeheer; ken gebruikers alleen de minimaal nodige rechten toe (least privilege).
- Documenteer OU-structuur, groepsleden en toegewezen rechten.
- Geef domeincontrollers een vast IP-adres en configureer redundante DNS/Domeincontrollers.
- Maak regelmatig back-ups van directorydata en test herstelprocedures.
- Monitor serverlogs en controleer wijzigingen in policies en groepslidmaatschappen.
Scan deze qr-code om de video te bekijken
Test jezelf
Scan deze qr-code om de inhoud te bekijken
4.3.3 Fileserver (bestandsserver)
Wat is een fileserver?
- Bewaart bestanden die door meerdere gebruikers gelijktijdig geopend en bewerkt kunnen worden.
- In kleine netwerken kan elk werkstation als fileserver dienen; in grotere omgevingen wordt vaak een speciale, krachtige server gebruikt.
- Vereist grote opslagcapaciteit en meestal meerdere schijven die via RAID samenwerken voor prestaties en betrouwbaarheid.
NAS en datacenters
- NAS: netwerkgebonden opslagapparaten die eenvoudig te integreren zijn en geschikt voor thuis en kleine bedrijven.
- Datacenters bieden gehuurde opslag met hoge fysieke beveiliging, redundantie en continue beschikbaarheid.
- Datacenters gebruiken klimaatbeheersing, noodstroom en redundante systemen om dataverlies te minimaliseren.
- Milieuoverwegingen: datacenters verbruiken veel energie; locatiekeuze, hernieuwbare energie en warmteterugwinning verminderen impact.
Back-up servers
- Back-up servers slaan kopieën van data op; back-ups verlopen vaak geautomatiseerd en regelmatig.
- Incrementiële back-ups schrijven alleen gewijzigde bestanden sinds de laatste back-up om ruimte en tijd te besparen. (in tegenstelling tot full-backups)
- Cold server: back-up geplaatst en verder uitgeschakeld totdat nodig (offline opslag).
- Warm server: ontvangt regelmatig back-ups maar wordt tussen back-ups uitgeschakeld.
- Hot server: continu actief en neemt bij uitval meteen de taken over (hoogste beschikbaarheid).
Andere gespecialiseerde fileservers
- Database servers bewaren databanken en hosten doorgaans enkel het back-end gedeelte van de database.
- Specifieke roles (bv. archiefserver, mediabibliotheek) optimaliseren opslag- en toegangspatronen voor bepaalde workloads.
- Synchronisatie tussen meerdere fileservers voorkomt inconsistenties bij redundante opstellingen.
Test jezelf
Scan deze qr-code om de inhoud te bekijken
4.3.4 Mailserver
Wat is een mailserver?
- Verzamelt en bewaart elektronische berichten voor alle gebruikers tot ze worden opgehaald.
- De servertoepassing die berichten verzendt/ontvangt heet MTA (Mail Transfer Agent).
- Gebruikers communiceren via een lokale applicatie (MUA — Mail User Agent) om berichten te lezen en te verzenden.
Opbouw van een MTA
- Een MTA bestaat doorgaans uit een MSA (Mail Submission Agent) voor verzenden naar andere servers.
- Een MDA (Mail Delivery Agent) levert ontvangen berichten af aan gebruikerspostvakken.
- In de praktijk zijn MSA en MDA vaak geïntegreerd in één serverapplicatie.
Routering en headers
- Bij verzending controleert de MTA of de ontvanger lokaal is; anders wordt het bericht doorgestuurd naar de volgende MTA.
- Elke tussenliggende MTA voegt een Received-header toe, waardoor de route van zender naar ontvanger traceerbaar is.
- Dit header-trail helpt bij foutanalyse en het opsporen van vertragingen of misroutes.
Beveiliging en filtering
- Internetproviders plaatsen vaak spamfilters en antivirusscanners op de mailserver om bedreigingen te blokkeren.
- Deze basisbescherming reduceert risico maar is nooit volledig waterdicht.
- Aanvullende maatregelen: authenticatie en anti-spoofing (SPF, DKIM, DMARC) en versleuteling (TLS).
Test jezelf
Scan deze qr-code om de inhoud te bekijken
4.3.5 Printserver
Wat is een printserver?
- Verzamelt afdrukopdrachten in een wachtrij, ordent ze en stuurt ze naar de printer.
- Zorgt voor beheer van volgorde, prioriteit en eventuele foutafhandeling bij afdrukken.
- Een printer met netwerkaansluiting heeft vaak een ingebouwde printserver en werkt zelfstandig op het netwerk.
Soorten printservers en configuraties
- Netwerkprinter: printer met ingebouwde printserver (ethernet of wifi) — geen aparte computer nodig.
- Gedeelde printer: lokaal aangesloten op een werkstation dat printdiensten deelt via het besturingssysteem.
- Externe printserver: apart apparaat dat een niet‑netwerkprinter netwerkfunctionaliteit geeft (LAN/wifi + USB/parallel).
- Elke computer kan fungeren als printserver; hiervoor is geen speciaal servertoestel vereist.
Opdracht
We proberen samen een map van onze eigen computer te delen met elkaar.
Test jezelf
Scan deze qr-code om de inhoud te bekijken
4.3.6 Application server (toepassingsserver)
Functie van een application server
Thin client-model: voordelen
- Eenvoudiger beheer: updates en patches enkel op de server installeren.
- Verminderd risico op malware op clients doordat software centraal beheerd wordt.
- Lagere aanschaf- en energiekosten voor thin clients vergeleken met volwaardige werkstations.
- Grotere levensduur en minder onderhoud van thin clients; lagere impact bij diefstal.
Vereisten en nadelen
- Hoge eisen aan de application server: betere CPU, meer geheugen en I/O naarmate aantal clients groeit.
- Betrouwbaar en snel netwerk is cruciaal; netwerkproblemen beïnvloeden alle gebruikers.
- Licenties: vaak zijn er ook licenties vereist per client of per gebruiker, niet enkel voor de server.
- Thin clients hebben beperkte grafische en multimediacapaciteit.
Thin client-apparaten en besturingssystemen
- Thin clients kunnen oude pc’s zijn, speciale thin-client hardware of single-board computers (bv. Raspberry Pi).
- Kenmerken: weinig of geen lokale opslag, beperkte aansluitingen en een lichtgewicht OS (bijv. embedded Windows of Linux-gebaseerde Thin OS).
Test jezelf
Scan deze qr-code om de inhoud te bekijken
4.3.7 Webserver (informatieserver)
Wat doet een webserver?
- Levert via HTTP gevraagde documenten (HTML, tekst, afbeeldingen, multimedia) aan browsers.
- Behandelt inkomende verzoeken en stuurt geschikte responses terug (statuscodes, headers, content).
- Ondersteunt configuratie voor virtuele hosts zodat meerdere websites op één machine kunnen draaien.
- Kan extra services bieden (logs, TLS/SSL-terminatie, compressie, caching).
Soorten webservers
- In-kernel webserver: geïntegreerd in het besturingssysteem, vaak dedicated en zeer performant.
- User‑mode webserver: draait als toepassing op een algemeen systeem dat ook andere taken kan uitvoeren; meestal minder performant.
- Dedicated servers gebruiken de volledige hardware voor de webdienst; shared systemen delen resources.
HTTP en content
- Webservers accepteren verzoeken via HTTP/HTTPS en sturen bestanden of gegenereerde pagina's terug.
- Content kan statisch zijn (HTML, afbeeldingen) of dynamisch gegenereerd door server-side applicaties.
- Headers en MIME-types bepalen hoe de client de ontvangen data interpreteert.
Uploaden en beheer (webmaster)
- Webmasters uploaden sitebestanden meestal via FTP/SFTP of speciale deployment-tools naar de webroot.
- Op de server draait vaak een FTP-server die uploads in de juiste map plaatst en toegang restricties afdwingt.
- Toegangscontrole moet voorkomen dat een webmaster per ongeluk of kwaadaardig andere sites op dezelfde server bereikt.
Beveiliging en risico's
- Uploadmechanismen en bestandspermissies zijn kritieke punten voor beveiliging; slecht beheer leidt tot defacing of datalekken.
- Hardenen: up-to-date software, minimaal benodigde rechten, isolatie (chroots/containers) en monitoring van logs.
- Bescherming tegen veelvoorkomende aanvallen: inputvalidatie, TLS, WAF, regelmatige backups en hersteltests.
Ingebouwde webservers in netwerkapparaten
- Sommige switches, printers en netwerkapparaten bevatten een ingebouwde webinterface voor configuratie, niet voor publieke content.
- Deze interfaces vereisen sterke authenticatie en netwerktoegangsbeperking om misbruik te voorkomen.
Webhosting, shared hosting en VPS
- Shared hosting: meerdere klanten delen één fysieke server en dezelfde resources; populaire sites kunnen de prestaties van anderen beïnvloeden.
- VPS (Virtual Private Server): geïsoleerde virtuele servers met gereserveerde CPU/GEHEUGEN, biedt meer vrijheid en stabiliteit per klant.
- VPS-technieken worden ook gebruikt voor andere serverdiensten om resources te isoleren en beheersbaarheid te vergroten.
Test jezelf!
Scan deze qr-code om de inhoud te bekijken
4.4 Netwerkbesturingssystemen
-
Sommige serverdiensten kunnen binnen een klassiek besturingssysteem worden geconfigureerd.
- Van eender welke netwerkcomputer kan je een fileserver of een printserver maken.
-
Voor andere serverdiensten (bv. DHCP-server of domeincontroller) heb je een specifiek netwerkbesturingssysteem (NOS) nodig.
-
Belangrijke serverdiensten maken vaak integraal deel uit van het netwerkbesturingssysteem; diensten kunnen ook als applicatie bovenop een NOS geïnstalleerd worden.
-
Er bestaan twee soorten netwerkbesturingssystemen:
- Algemeen NOS
- Wordt geïnstalleerd op een computersysteem en is los aanschafbaar.
- Beschikt vaak over een grafische interface die lijkt op die van een gebruikerscomputer.
- Voorbeelden: Windows Server, macOS Server, diverse Linux- en Unix-gebaseerde NOS.
- Embedded NOS
- Software ingebouwd in netwerkapparaten (bv. netwerkprinter, switch, router).
- Wordt door of in opdracht van de fabrikant geleverd en niet afzonderlijk verkocht.
- Meestal geen geïntegreerde grafische interface; beheer gebeurt vaak via een webinterface.
- Algemeen NOS
-
Verschillen tussen NOS en gewone besturingssystemen:
- Speciaal ontworpen voor serverdiensten.
- Doorgaans stabieler en met meer doorgedreven beveiligingsmogelijkheden.
- Gericht op complexere/hogere beschikbaarheidshardware.
- Niet noodzakelijkerwijs een grafische interface aanwezig.
- Volgen vaak een andere licentiepolitiek (commerciële NOS kunnen speciale regels hanteren, bv. licenties op basis van aantal processoren i.p.v. aantal gebruikers).
Scan deze qr-code om de inhoud te bekijken
- Het client/server-model beschrijft hoe clients diensten aanvragen bij servers; serverarchitecturen zoals 2-tier, 3-tier en multitier verdelen taken over meerdere lagen voor efficiëntie en veiligheid.
- Servers onderscheiden zich van gewone computers door redundante, snel vervangbare hardware, krachtige processoren, ECC-geheugen en verschillende vormen zoals tower, rack en blade servers.
- Serverdiensten omvatten o.a. DHCP, domeincontroller, fileserver, mailserver, printserver, application server en webserver, elk met een specifieke functie binnen het netwerk.
- Redundantie, betrouwbaarheid en beschikbaarheid zijn cruciaal bij servers; redundante systemen en clustering verhogen de continuïteit van diensten.
- Dynamisch adresseren (met DHCP of SLAAC) wijst automatisch IP-adressen toe, terwijl statisch adresseren handmatig gebeurt; beide methoden hebben specifieke toepassingen en voordelen.
- Domeinen structureren gebruikers, rechten en policies binnen een netwerk; domeincontrollers beheren deze indeling en zorgen voor centrale toegangscontrole.
- Netwerkbesturingssystemen (NOS) zijn speciaal ontworpen voor serverdiensten, bieden meer stabiliteit en beveiliging dan klassieke besturingssystemen, en bestaan in algemene en embedded varianten.










