- De leerlingen kunnen het verschil in schijfbeheer en partities tussen Windows en Linux uitleggen
- De leerlingen kunnen de standaard Linux mappenstructuur en de functie van de belangrijkste mappen benoemen
- De leerlingen kunnen het belang van de CLI (Command Line Interface) en de shell Bash motiveren
- De leerlingen kunnen het Linux-beveiligingsmodel met gebruikers, groepen en rechten (ugo) verklaren
- De leerlingen kunnen werken met bestandsnamen, wildcards en de drie communicatiekanalen (stdin, stdout, stderr)
- De leerlingen kunnen redirection en pipes toepassen in de terminal
- Zie boek pag. 5-8
In tegenstelling tot Windows vereist Linux een andere manier van denken over je computer. In deze les duiken we onder de motorkap om te begrijpen hoe Linux bestanden opslaat, hoe de mappenstructuur in elkaar zit en waarom de tekstgebaseerde interface (CLI) zo krachtig is.
1. Schijfbeheer en Partities
In Linux worden bestanden niet overzichtelijk verdeeld over letters zoals C: of D:.
- Partities: Linux wordt vaak over meerdere partities geïnstalleerd voor beter beheer.
- Root (/): Het vertrekpunt van het bestandssysteem is de slash, de "root" genoemd.
- Mounten: Apparaten of partities worden aan een map gekoppeld; dit noemen we mounten.
- Swap (Wisselpartitie): Wanneer het intern geheugen vol is, gebruikt Linux een specifieke partitie op de schijf als tijdelijk geheugen om vastlopen te voorkomen.
2. De Mappenstructuur
Bijna elk Linux-systeem volgt een vaste basisstructuur in de root:
| Map | Functie |
|---|---|
| /dev | Speciale bestanden voor toegang tot hardware |
| /bin & /sbin | Essentiële hulpprogramma's (sbin is voor de beheerder) |
| /etc | Configuratiebestanden van het systeem |
| /home | Persoonlijke mappen en gegevens van gebruikers |
| /tmp | Tijdelijke bestanden van programma's |
| /var | Variabele bestanden, zoals logbestanden |
| /mnt & /media | Plaats waar externe schijven worden aangekoppeld |
3. Praten met het systeem: de CLI
Hoewel Linux grafische interfaces heeft, is de Command Line Interface (CLI) de standaard voor systeembeheer.
- Bash: In deze cursus gebruiken we de Bourne-Again shell (bash) om instructies te typen.
- Systeemonderhoud: De CLI is universeel; het werkt op bijna elke Linux-distributie op dezelfde manier.
4. Gebruikers en Beveiliging
Linux is ontworpen voor meerdere gebruikers tegelijk.
- Root-gebruiker: Dit is de speciale beheerder die alle rechten heeft op het systeem.
- Groepen: Gebruikers worden in groepen geplaatst om toegangsrechten efficiënt te beheren.
- UGO-systeem: Rechten worden ingesteld op drie niveaus: User, Group en Other.
- RWX: Per niveau bepaal je of men mag lezen (Read), schrijven (Write) of uitvoeren (Xecute).
5. Bestanden, Daemons en Wildcards
Op de achtergrond draaien processen die taken uitvoeren, vergelijkbaar met Windows-services; in Linux noemen we deze Daemons.
Bestandsregels
- Bestandsnamen zijn hoofdlettergevoelig.
- Bestanden die beginnen met een punt (.) zijn verborgen.
- Wildcards helpen bij het zoeken:
*: Willekeurig aantal tekens?: Eén willekeurig teken[..]: Een teken uit een specifieke verzameling (bijv.[a-z])
6. Kanalen en Redirection (Stdin, Stdout, Stderr)
Commando's communiceren via drie standaardkanalen:
- Stdin (0): Invoer voor de opdracht.
- Stdout (1): Normale uitvoer (resultaat).
- Stderr (2): Foutmeldingen.
Redirectie symbolen
>: Schrijf uitvoer naar een nieuw bestand (overschrijft bestaande tekst).>>: Voeg uitvoer toe aan een bestaand bestand.2>: Stuur enkel de foutmeldingen naar een bestand.- Pipe ( | ): Verbindt de uitvoer van het ene commando direct met de invoer van het volgende (bijv.
ls | more).
Ga naar Google classroom en maak volgende opdracht: Opdrachtenblad achtergrond bij Linux
- Lukt het niet direct? Dan vind je hieronder meer informatie.
- In de cursus staat alles nog vollediger uitgeschreven.
- Je kan ook zoeken op internet.
- Je kan ook een mede-leerling hulp vragen.
- Je kan ook de leraar om hulp vragen.

Samenvatting
Je begrijpt nu de logische opbouw van Linux, van de root-map tot de manier waarop de terminal communiceert met bestanden en gebruikers.
- Schijfbeheer verschilt: Linux gebruikt mounten en root (/) in plaats van schijfletters; partities worden voor beter beheer opgesplitst
- De standaard Linux mappenstructuur met root (/) bevat essentiële mappen zoals /bin, /etc, /home, /tmp, /var en /mnt
- De CLI (Command Line Interface) en Bash zijn universeel en essentieel voor systeembeheer op elke Linux-distributie
- Het Linux-beveiligingsmodel werkt met gebruikers, groepen en rechten (UGO) met RWX-permissies
- Bestandsnamen zijn hoofdlettergevoelig; wildcards (
*,?,[..]) helpen bij zoeken; drie communicatiekanalen zijn stdin, stdout en stderr - Redirection (
>,>>,2>) en pipes (|) sturen gegevens tussen commando's en bestanden